Hoe accepteer ik mezelf? Een simpele meditatie

Hoe accepteer ik mezelf? Een simpele meditatie

Een meditatie oefening om verbinding te maken met jezelf.

Laatst kwam er een mevrouw bij me voor een prive sessie meditatie. Ze is bijna 80, heeft vroeger gemediteerd maar krijgt de draad maar niet meer opgepakt sinds de dood van haar partner. En dus zocht ze hulp. Ondanks haar ervaring met stilzitten en haar geest onderzoeken bleek al snel dat ze in haar basis zich niet goed genoeg voelt. Nergens voor. Dat uit zich in negatieve gedachten over zichzelf maar ook over anderen. Zo sterk dat ze zich is gaan afzonderen en het contact met mensen vermijdt uit angst dat ze hen kwetst. We hebben vorige keer samen een meditatie gedaan waarin ze zichzelf denkbeeldig tegenover zich plaatste en vroeg wat ze nodig had. Die behoefte mocht ze helemaal vervullen. Dat lukte en luchtte zichtbaar op.

Dit is de kracht van meditatie en het gaan werken met verbeelding en geest. Alles is mogelijk!

De keer erna kwam ze en liet ik haar liggen en de moeheid toelaten van een geest die zichzelf telkens naar beneden haalt, uit angst. Ik begeleidde haar naar de stille plek in haar lichaam, daar waar iedereen thuis is in zichzelf.

Het lukte haar om zich over te geven en ik zag haar wegzakken in een diepe, wijdse rust. Toen ik haar naderhand vroeg hoe het was geweest zei ze: “ik begin te begrijpen dat het echt zo is dat iedereen geboren is zoals hij of zij is. En dat dat goed is. Dat het de bedoeling is dat ik ben zoals ik ben en dat ik niet verkeerd ben. Ik hoef niets anders van mezelf te maken dan ik ben.” De rust en vrede die uit haar ogen schenen was zo ontroerend mooi. Alsof al die jaren ervoor samenkwamen in dat moment en ze eindelijk mocht ervaren wat haar geest al die tijd al had geweten:

Je bent precies goed zoals je bent!

Durf te lummelen: de kracht van niets-doen

Durf te lummelen: de kracht van niets-doen

De mens is ook een dier, dus zou hij zich best wat meer als zodanig mogen gedragen. Bijvoorbeeld als het gaat om de balans tussen inspanning en ontspanning. In een brein waarvan de eigenaar niet druk met iets bezig is, maar kalmpjes naar een punt in de verte staart en zijn gedachten de vrije loop laat. ‘Op dat moment gaat het default-mode network aan, zeg maar de basisstaat van de hersenen’, zegt Martijn van den Heuvel (38), neurowetenschapper aan de Vrije Universiteit Amsterdam. ‘We komen er steeds meer achter hoe belangrijk het netwerk is.’ Bij mensen die goed kunnen mediteren zie je meer activiteit in het default-mode network. En er zijn studies die laten zien dat méér van die activiteit kan leiden tot meer grijzestofvolume op sommige plekken in de hersenen. Tot een groter brein dus.’
Waar het default-mode network óók bij betrokken is, is de vorming van je zelfbeeld, zegt psychiater en neurowetenschapper Iris Sommer, auteur van De zeven zintuigen. ‘Het default-mode network hangt samen met creativiteit, het zorgt voor het opborrelen van ingevingen en ideeën. Het is ook een beetje een navelstaarderig netwerk, het laat je stilstaan bij jezelf, bij het ‘ik’: wat vinden anderen van mij, voldoe ik aan de normen?
Lees verder in dit artikel verschenen in de Volkskrant geschreven door WILMA DE REK

Of hij weleens een depressief dier heeft gezien, was de vraag. Voor het eerst valt Maarten Frankenhuis langer dan dertig seconden stil. De diergeneeskundige en oud-directeur van Artis kijkt peinzend door het raam van de woning in Broek in Waterland die hij na zijn pensionering samen met echtgenote Liesbeth betrok. Achter dat raam strekt zich een groot weiland uit, vanwaar verschillende soorten gevogelte opstijgen. Dan: ‘Stress komt in het dierenrijk volop voor. Maar depressie bij dieren is mij volkomen onbekend.’

En een beest met een burn-out?

‘Nee, dat al helemaal niet. Als verzorgers vroeger zeiden: hij ligt timide in de hoek en hij rent niet naar de voederbak, zoals normaal, dan dacht ik nooit aan een depressie of een burn-out. Dan dacht ik: dat beest is gewoon ziek. Maar je kunt het ze niet vragen, hè. We weten het gewoon niet.’

De afgelopen maanden besteedde de Volkskrant uitgebreid aandacht aan de burn-outepidemie die van sommige geïnterviewden geen epidemie genoemd mocht worden. Twee weken geleden kwam onderzoeksbureau TNO met nieuwe cijfers: in 2017 zei 16 procent van de 8,5 miljoen werkende Nederlanders burn-outklachten te ervaren. Twee jaar eerder was dat 14 procent, in 2007 11 procent.

In de verhalen werden allerlei verklaringen genoemd: prestatiedruk, verminderde autonomie, hoe ingewikkeld het tegenwoordig is om een bevredigend verhaal te weven rond het eigen ik. In vrijwel elk stuk kwam ook de werkdruk ter sprake. Het ging veel over hoe we ons inspannen.

Maar hoe zit het met de manier waarop we ons óntspannen? En wat kunnen mensen in dat opzicht leren van andere dieren?

Want de mens is ook een dier; de homo sapiens bestaat nog maar een paar honderdduizend jaar, als een van de resultaten van de evolutie die al een paar miljard jaar gaande is, en het grootste deel van zijn bestaan verschilde zijn dagelijks leven niet zoveel van dat van andere dieren. We mogen dan nu parmantig in mooie pakjes de wijsneus uithangen, ons lichaam is niet anders dan dat van onze jagende en verzamelende betovergrootouders; evolutie verloopt uiterst traag. In de woorden van Frankenhuis: ‘Die paar generaties dat wij nu vuistbijlen maken, met pijl en boog schieten, boekdrukken, e-mailen: het is een rimpeling in de wordingsgeschiedenis van onze soort.’

Maarten Frankenhuis (76) begeleidt natuurreizen, samen met zijn echtgenote, en was van 1990 tot 2003 directeur van Artis, de oudste dierentuin van Nederland. Gekooide dieren gedragen zich niet zo heel anders dan wilde dieren, zegt Frankenhuis, behalve als het gaat om voortplanting: ‘In de natuur speelt een verfijnd seksueel selectiesysteem een rol. Bij de mens ook nog wel hoor, maar in de veehouderij en in dierentuinen wordt het finaal aan de kant geschoven. Wíj bepalen of een dier zich voortplant, met wie en hoe vaak. Wat je ook ziet, is dat bij dierentuindieren de herseninhoud minder wordt. Dieren die zich in gevangenschap voortplanten, zijn de exemplaren die bereid zijn de miserabele omstandigheden waaronder wij ze huisvesten en voeden, te accepteren.’

Dus dieren die het in gevangenschap goed doen, zijn in zeker opzicht de losers van hun soort? Maar dan zijn wij mensen dat toch ook?

‘Dat zijn jouw woorden. Maar er zit wel wat in.’

De vraag die Frankenhuis het meest werd gesteld in zijn periode als Artis-directeur, was of de beesten in zijn dierentuin niet véél te weinig te doen hadden, nu ze hun eten niet bij elkaar hoefden te jagen. Dan antwoordde hij altijd dat het wel meevalt met wat roofdieren in het wild zoal uitvoeren.

Neem de leeuw, de zogeheten koning der dieren. Frankenhuis: ‘Vooral mannelijke leeuwen voeren geen flikker uit; die liggen 22 van de 24 uur te ronken. Aan de andere kant: ze dekken wél vijftig keer per dag, dat moet ik ze nageven. In de nabijheid van een vrouwtje met een zaadvragend eitje zijn ze onvermoeibaar.’ Maar verder spant de leeuw zich niet harder in dan strikt noodzakelijk. Frankenhuis: ‘Als leeuwen op jacht zijn en ze spotten toevallig een paar hyena’s die een gnoe te pakken hebben, dan breken ze onmiddellijk hun jacht af, storten zich op de hyena’s en jatten de gnoe. Leeuwen gaan absoluut voor het gemak.’

Dieren, benadrukt Frankenhuis, bewegen zich in de regel niet voor de lol. Ze houden zich zo veel mogelijk gedeisd. En dat is heel verstandig van ze. ‘Want als prooidieren staan te stunten op de savanne, lokken ze roofdieren aan. En als roofdieren druk gaan doen, verraden ze zich. Daarbij komt: je verstookt op geheel nutteloze wijze calorieën. Het zijn alleen jonge dieren die nog weleens ongemotiveerd wat wilde bokkesprongen maken. Maar dat hoort bij hun training.’

Dat wil niet zeggen dat dieren en mensen het best af zijn als ze de hele dag roerloos liggen te suffen. Het gaat om de juiste balans tussen in- en ontspanning. En van zo’n juiste balans is sprake als een organisme het leven leidt waarvoor het evolutionair is toegerust. Bij dieren in het wild, gevormd door natuurlijke selectie, is dat per definitie het geval. Maar bij gekooide dieren niet per se.

Zo is het lichaam van de homo sapiens ‘gemaakt’ op beweging. Frankenhuis, vroeger fanatiek hardloper: ‘Mensen kunnen verdomd goed lopen. Als het erop aankomt, kan geen dier tegen ons op. Niet omdat we zo hard gaan; vrijwel alle dieren lopen harder dan wij. Ik denk dat zelfs een rat, als-ie een sprint inzet, harder loopt dan wij. Maar er is geen dier dat het zo lang volhoudt als de mens. Als het moet, lopen we een hele dag. Onze voorouders trokken uren achter migrerende kuddes aan en konden een dier zo volledig uitputten.’

Ja, onze voorouders. Maar de moderne Nederlander haalt zijn lapje uitgeput dier met de auto bij de Albert Heijn. Het beweegadvies van de Gezondheidsraad, die aanraadt minstens 150 minuten per week aan matig intensieve inspanning te doen en daarnaast minimaal twee keer per week spier- en botversterkende activiteiten te verrichten, wordt door bijna de helft van de Nederlanders niet gehaald. Met die ontspanning zit het dus wel goed, zou je zeggen, maar zo is het toch niet. Want terwijl het lijf meer rust krijgt dan het nodig heeft, krijgt het brein wellicht te weinig. Van de gemiddeld 42,4 uur die Nederlanders per week aan vrije tijd besteden, gaat de meeste tijd (19,6 uur) op aan media en internet, zo blijkt uit het laatste tijdbestedingsonderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau.

In 1971 boog schrijver Rudy Kousbroek zich in zijn essay The fallacy of misplaced concreteness over het brein. Eerst vergeleek hij het met een klein kind, vanwege ‘het onafgebroken beziggehouden moeten worden, het aan één stuk door praten en nooit moe worden’. Daarna met een employé in een grote onderneming die niet ontslagen kan worden. ‘Het is een soort monomaan, een compulsieve werker, die continu achter zijn bureau zit zonder zich ooit de tijd te gunnen om te eten of aan andere natuurlijke behoeftes te voldoen.’ Een raar geval dus: ‘Onafgebroken bezig zijn: hierin verschilt het brein van alle andere principes in de natuur waarbij alle activiteiten er juist op gericht zijn de rusttoestand terug te vinden.’

Schrijver en evolutiebioloog Tijs Goldschmidt (66) citeerde in 2013 uit het essay in zijn Kousbroeklezing Vis in bad, opgenomen in de gelijknamige bundel die een jaar later bij Athenaeum verscheen. In het essay verdiepte hij zich in het nut van spelen en nietsdoen bij dieren. Al schrijvend kwam hij tot de conclusie dat maximale inspanning leveren niet zaligmakend is, sterker: dat lummelen op de lange termijn van levensbelang is.

Die mening is hij nog altijd toegedaan, zegt Goldschmidt in zijn werkruimte in Amsterdam, die tot de nok is gevuld met boeken en met een paar beelden en schilden van de Asmat uit Papoea (voormalig Nederlands-Nieuw-Guinea), een volk dat hij enkele malen heeft bezocht. Zijn eigen coming-out als lummelaar beleefde hij pas laat in zijn leven, na het overlijden van zijn vader. ‘Vanaf de middelbare school begon ik een enorme prestatiedrang te voelen, ik had moeite te ontspannen. Mijn vader was een man met een groot arbeidsethos. Hij kon bewonderend over iemand zeggen: ‘Het is echt fenomenaal: ze werkt zich helemaal dood!’ Dat was voor hem het hoogst haalbare.

‘Tegen mij zei hij vaak dat hij maar hoopte dat ik ‘mijn tijd niet verlummelde’. En dat deed ik ook niet, ik werkte zo hard als ik kon. Toen ik als onderzoeker bij de Universiteit Leiden zat, was ik een workaholic geworden. Ik herinner me dat we in Afrika zaten met een groep Nederlandse biologen en nooit eens konden meegaan in het vrij trage tropentempo van de Tanzanianen, want dan kwam er weer een telegram: jullie moeten meer publiceren. Zo werd je constant opgejaagd. Jaren later, toen ik gepromoveerd was, realiseerde ik me pas wat voor last er van me was afgevallen. Het leek opeens of ik zweefde. Nu kan ik heel goed lummelen.’

In Vis in bad beschrijft Goldschmidt een experiment in Groningen onder leiding van de vorig jaar overleden chronobioloog Serge Daan, die met zijn groep tien jaar lang het gedrag van torenvalken bestudeerde. De vrouwtjes leggen gemiddeld vier eieren, de mannetjes besteden een uur of vier per dag aan flight hunting, biddend jagen, wat zeer arbeidsintensief is. De rest van de tijd voeren ze op het oog weinig uit. Dat leek niet te kloppen met de aanname dat dieren er alles aan doen hun genen zo efficiënt mogelijk te verbreiden: waarom werkten ze niet wat langer dan die vier uur?

Serge Daan onderzocht wat er gebeurde als hij per legsel twee eieren toevoegde en het nest dus groter werd. Zouden de mannetjes dan minder gaan niksen en harder gaan werken? Het antwoord was ja: de mannetjes gingen langer jagen om het grotere aantal kuikens in het nest van voedsel te voorzien. Maar ze gingen ook veel eerder dood. Goldschmidt: ‘Met het oog op lifetimefitness, zoals biologen dat noemen, de biologische fitness over het hele leven gemeten, is het dus gunstiger dat ze zich niet helemaal doodwerken bij het grootbrengen van elk legsel. Ze doen het precies goed.’

Heeft elk in het wild levend dier zo’n perfect afgestemde ontspanningsantenne?

‘Ik zou verwachten dat het veel wijder verbreid is, maar het is niet voor elke soort uitgezocht; dit onderzoek van die groep van Daan is heel bijzonder. In de gedragsbiologie bestaan wel allerlei modellen waarmee wordt onderzocht hoe de manier van fourageren van dieren zich verhoudt tot hun voortplantingssucces.

‘De Amerikaanse bioloog Thomas Schoener onderscheidde time minimizers en energy maximizers. De time minimizers zijn de dieren die zo min mogelijk tijd besteden aan het verzamelen van voedsel, de energy maximizers proberen de maximale hoeveelheid energie te verzamelen. Twee extreem tegenovergestelde typen zijn de python en de kolibrie. De python vangt een vogel en blijft dan een maand liggen, hij besteedt dus weinig tijd aan het foerageren en houdt zich zo koest mogelijk, bijna als een beest in winterrust waarbij alle fysiologische variabelen naar een zo laag mogelijk niveau worden teruggeschroefd, zodat hij zo lang mogelijk kan doen met die ene prooi. Heel anders dan een kolibrie die uren en uren bezig is nectar te verzamelen. De kolibrie maakt zich in vergelijking met die python extreem druk. Ik denk dat hij wel moet, dat hij het alleen maar redt als hij de hele dag door foerageert.’

En mieren?

‘Mieren gaan ook altijd maar door, maar niet op een zo hoog energetisch niveau als de kolibrie. Stekelbaarzen zijn trouwens ook heel druk, in het broedseizoen staan de mannetjes almaar driftig met hun borstvinnen de eieren te ventileren, waarmee ze die van zuurstofrijk water voorzien. Maar na het broedseizoen hebben ze een lange tijd om weer bij te komen. Periodieke grote inspanning komt in het dierenrijk heel veel voor, maar wordt eigenlijk altijd gevolgd door een rustiger periode.

‘Er is iets interessants aan de periodes van urgente activiteit van een vogel die biddend jaagt of een cheeta die achter een prooi aan rent: langer is niet gezond. Zou die cheeta drie keer zo lang rennen als hij doet, dan loopt hij kans op definitieve hersenbeschadiging. Dat beest weet niets van hersenen, maar hij is wel zo geprogrammeerd dat hij precies zo lang rent als hij aankan. De rest van de tijd ligt hij wat te soezen en voor zich uit te kijken, net als de torenvalk op zijn paaltje.

‘Die periode is waarschijnlijk niet alleen nodig voor de spieren maar ook voor de hersenen, om bij te komen en te herstellen. Er wordt gedacht dat slaap bij ons die functie heeft. Het is relevant om belangrijke dingen te onthouden en niet-belangrijke niet, en het vermoeden is dat de indrukken die je overdag opdoet, ‘s nachts worden gezeefd. Het zou best kunnen dat het in de tijd waarin je heel actief bent, niet mogelijk is die zeefprocedures uit te voeren.’

Als dieren intuïtief weten wat voor hen de perfecte balans is tussen inspanning en ontspanning, waarom weten mensen dat dan zoveel minder goed?

‘Het is de vraag of wij dat niet ook weten. Het zou best kunnen dat de Asmatters uit Nieuw-Guinea, voordat de Nederlanders en Indonesiërs zich met hen gingen bemoeien, ook een uitstekende verdeling hanteerden tussen inspanning en ontspanning. En dat die balans bij ons is weggeraakt door allerlei sociale constructies, zoals een werkgever die dingen van je eist en verwacht dat je er zo en zo laat bent en op een bepaalde tijd naar huis gaat. Er is al snel een conflict tussen wat goed zou zijn voor jou, en op den duur wellicht ook voor je prestaties, en wat op korte termijn goed is voor de werkgever.

‘Ik weet nog dat ik in Japan kwam en in laboratoria onderzoekers zag, vooral promovendi, die volkomen uitgeteld over hun toetsenbord lagen. Ze werden verondersteld zich helemaal dood te werken. Ooit was de zondag een min of meer sociale maatregel om de als slaaf werkende mens de kans te geven weer bij te komen. Elk organisme heeft periodes van herstel, van lummelen of spelen dus, nodig om niet ziek te worden. Zelf dans ik veel. Latin, salsa, wel tien uur in de week. Ik heb een zittend beroep en ben veel in mijn hoofd bezig, maar zodra ik die dansvloer opga, voel ik me helemaal ontspannen.’

Als wij zouden leven volgens onze natuur, zouden we dan net zo efficiënt niksdoen als leeuwen en torenvalkjes?

‘Ik vind dat een heel treffende formulering, efficiënt niksdoen. Ze past helemaal in deze tijd. Maar ik denk het wel. Het is overigens maar de vraag of die torenvalk in de uren dat hij ogenschijnlijk op een paaltje zit te lummelen, écht niks doet. Ecoloog Joost Tinbergen vertelde me dat de valk dan waarschijnlijk ook informatie verzamelt die hij tijdens dat intensieve jagen kan gebruiken. Misschien ziet hij een elektriciteitsleiding en weet dan: daar moet ik straks niet tegenaan vliegen. Dat vind ik heel interessant; dat dat hele idee van niksdoen bij dieren óók weer verdampt als je er beter naar gaat kijken.’

Omdat het niet écht niksdoen is.

‘Precies.’

Is lummelen dan niet net zo belangrijk als slapen?

‘Ik zou denken van wel, het lijkt me waarschijnlijk dat lummelen en soezen in het verlengde van slaap liggen. Maar ik ben slechts een afgedwaalde bioloog.’

Dit is een mooi moment om het default-mode network te introduceren. Het default-mode network is het netwerk in de hersenen dat – dit klinkt paradoxaal – actief wordt als het brein in rust is. Niet dat het brein ooit écht in rust is, want zoals Kousbroek in 1971 al schreef, is het brein niet stil te krijgen; onze hersenen staan dag en nacht aan.

Maar je hebt aanstaan en je hebt aanstaan. Begin deze eeuw ontdekten onderzoekers wat er gebeurt in een brein in rust. Dat wil zeggen: in een brein waarvan de eigenaar niet druk met iets bezig is, maar kalmpjes naar een punt in de verte staart en zijn gedachten de vrije loop laat. ‘Op dat moment gaat het default-mode network aan, zeg maar de basisstaat van de hersenen’, zegt Martijn van den Heuvel (38), neurowetenschapper aan de Vrije Universiteit Amsterdam. ‘We komen er steeds meer achter hoe belangrijk het netwerk is.’

Van den Heuvel is gespecialiseerd in hersennetwerken. Daarvan hebben we er veel en ze zijn nooit allemaal tegelijk actief. Bij iemand die gretig zijn likes op Instagram checkt is een ander hersennetwerk actief dan bij iemand wiens brein in vredige rust is.

Van den Heuvel: ‘Het default-mode network manifesteert zich vooral achter in het brein, de precuneus, en in de mediale frontale cortex, maar er zijn veel verschillende hersengebieden bij betrokken.’

Is het schadelijk voor de gezondheid als het brein te weinig in ruststand verkeert?

‘Dat is heel lastig te onderzoeken. Ik denk dat het feit dat we continu bezig zijn met ons hoofd zeker gevolgen heeft. En we weten ook dat veel geestelijke gezondheidsproblemen gepaard gaan met een verstoring van het default-mode network. Maar een causaal verband is daarmee nog niet aangetoond. Andersom komt wel voor: bij mensen die goed kunnen mediteren zie je meer activiteit in het default-mode network. En er zijn studies die laten zien dat méér van die activiteit kan leiden tot meer grijzestofvolume op sommige plekken in de hersenen. Tot een groter brein dus.’

Waar het default-mode network óók bij betrokken is, is de vorming van je zelfbeeld, zegt psychiater en neurowetenschapper Iris Sommer, auteur van De zeven zintuigen. In dat boek staat ze onder meer stil bij de twee ‘denksystemen’ die psycholoog en Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman in 2011 introduceerde in zijn boek Thinking, fast and slow. Systeem 1 gebruik je bij het snelle, intuïtieve denken; systeem 2 bij het aandachtige denken. Systeem 1 is gekoppeld aan het default-mode network, zegt Sommer. ‘Het default-mode network hangt samen met creativiteit, het zorgt voor het opborrelen van ingevingen en ideeën. Het is ook een beetje een navelstaarderig netwerk, het laat je stilstaan bij jezelf, bij het ‘ik’: wat vinden anderen van mij, voldoe ik aan de normen? Ik zie soms managers of bazen die almaar druk-druk-druk zijn en dan denk ik: weet je wel hoe je overkomt? Hoe bot en gehaast je bent? Ik weet niet zeker of ik dat mag koppelen aan een gebrek aan navelstaren en dus aan een te lage activiteit van het default-mode network, maar het zou zomaar kunnen.’

Leve het lummelen dus. Maar wel op de goede manier. Urenlang doodstil op bed liggen, zoals de Russische schrijver Ivan Gontsjarov zijn Oblomov laat doen, is geen goed idee. Niet alleen omdat je dan te weinig beweegt, ook omdat de balans dan doorslaat naar de andere kant: onderstimulatie is ook niet goed. Sommer: ‘Mensen worden gek als je ze opsluit. Je waarneming is een samenspel tussen zintuigen en hersenen. Als die ondergestimuleerd worden, treedt ‘sensore deprivatie’ op en krijg je snel hallucinaties. Sommige mensen proberen via meditatie hun brein stil te zetten, maar dat is echt een zware klus, ik kan het niet. Als ik mijn brein tot rust wil brengen, ga ik naar buiten. Lekker joggen, of juist rustig wandelen.’

Net als de diertjes.

LUIAARD
Kampioen van het lummelen

In de Amsterdamse dierentuin Artis hangt een luiaard aan een boom, met zijn kop naar beneden en zijn pootjes om een tak, want zo hangen luiaards aan bomen; alsof ze een hangmatje zijn. Hij wiegt hypnotiserend zacht heen en weer. Om hem heen is het een drukte van belang. Vijf of zes dwergzijdeaapjes dansen driftig om hem heen, in wanhopige pogingen de luiaard gek te krijgen, maar die grijnst ze alleen maar sloom toe: this aggression will not stand, man.

Als er één dier is dat de kunst van het lummelen onder de knie heeft, is het de luiaard, door katholieke ontdekkingsreizigers vernoemd naar de vierde van de zeven hoofdzonden. Op de grond beweegt de luiaard zich voort met een gemiddelde snelheid van 0,3 kilometer per uur, trager dan een schildpad. Oké: wat meespeelt is dat de luiaard met zijn slecht ontwikkelde oren en ogen in een soort constante roes leeft, schrijft zoöloog Lucy Cooke in Wilde verhalen – De ware aard van onbegrepen beesten (2018). En dan kauwt hij ook nog eens de hele dag op bladeren die alkaloïde bevatten, een spulletje dat ongeveer dezelfde werking heeft als valium: ‘Deze diertjes lijken dus niet alleen stoned, ze zíjn stoned.’

Maar evolutionair is het beest een groot succes. Hij gaat al 64 miljoen jaar mee, schrijft Cooke, en heeft kanonnen als de sabeltandtijger en wolharige mammoet overleefd. Luiaards zijn uitstekende overlevers. ‘Hun geheim? Precies: hun luie aard.’

Pijn acceptatie tijdens de ZIN challenge

Pijn acceptatie tijdens de ZIN challenge

Dag 9 is ronduit heerlijk. Bijzondere en onverwachte ontmoetingen liggen iedere dag in verschiet. Deze keer met twee dieren. Wat een goede keuze om 30 dagen in het bos te verblijven en te doen waar mijn ZIN me heenvoert. Boompje hier, stroompje daar. Even kijken naar een ontluikend blad, ruikend aan onverwachte bloesemregen. En dan het meertje waar ik iedere dag ga zitten en steeds langer stilval.

Allerlei mensen passeren langs de oever, maar mijn ogen blijven gesloten. Van binnen zie ik de honden die ze met zich meevoeren. Bij één stel gaan mijn ogen toch open. Een kleine wat angstige hond en een grotere op een wolf lijkende hond. De baas kijkt mij aan en blijft maar groeten, alsof hij steeds weer opnieuw kennis met me maakt. De grote hond wordt aangemoedigd het water in te springen, maar verder dan vrolijk pootje baden wordt het wat hem betreft niet. Dan neemt hij een spurt en rent met bokkensprongen recht op mij af. Vlak voor me blijft hij staan, ruikt aan m’n tas en kijkt me een paar tellen indringend aan. Z’n klaarheldere blauwe ogen kijken verwonderd en dwars door me heen. Hij laat iets van speelse wildheid bij me achter op mijn netvlies. Dan springt hij weer net zo abrupt op en vertrekt terug naar z’n baas.

Daarna besluit ik van Wond naar Wijsheid te doen. Een oefening die ik sinds een paar maanden toepas als ik pijn ervaar. Ik concentreer op de pijn die ik gisteren ervoer omdat ik mijn overleden zus miste, en laat deze sensatie toe in de rest van m’n lichaam. Als het moment daar is om een helper te vragen mij te assisteren in het transformatie proces, open ik m’n ogen en zie een lange snoek traag aan me voorbij zwemmen op een meter van me vandaan in het meertje.
Zijn linkeroog blijkt me aankijken alsof hij me wenkt. Ik passeer m’n eerste verbazing en ga verder met de oefening met hulp van de snoek. Onder water laat de vis me zien dat we nog steeds in alle tijden en in alle levensvormen aanwezig zijn. Dat het zinvol is om zo aan het water te zitten en ons op te laten nemen in die “oude stromen kennis” van hoe de dingen al eeuwen gaan. Hoe ‘wazig’ dit voor sommige mensen misschien klinkt, maar juist dat houdt ons met beide benen op de grond. Het verbindt ons met wijsheid die ons toebehoort, maar die niet ontvangen kan worden tijdens het-tussen-vier-muren-leven.

Na de oefening, delen we symbolen uit, van wederzijdse erkenning. Mijn symbool voor de pijn die ik ervoer aan de snoek: een sleutel, van m’n hart. Ik krijg van de snoek een televisiescherm, zodat ik blijf onthouden, dat alles wat aan mij verschijnt, mijn eigen projectie is. Het zet me opnieuw aan om te geloven in mijn eigen zender en de programma’s die ik erop uitzend, want die zijn over het algemeen vrolijk, informatief, avontuurlijk en uiteraard voor mijzelf zeer toegankelijk!

Ps. Als ik de volgende dag weer bij het meertje aankom, ligt de snoek roerloos te wachten bij de plek
waar ik dagelijks mediteer.

Heeft niksen ZIN, dag 1 van de ZIN challenge

Heeft niksen ZIN, dag 1 van de ZIN challenge

Kun je niksen zonder je schuldig te voelen? Dag 1 van m’n 30 dagen wandel- en meditatietocht draagt het thema vertragen. Ingezet door een vrouw die ik zie joggen door het bos. Terwijl ik alleen maar lang- en langzamer zou willen lopen om te kunnen vertragen. Na een half uurtje op weg te zijn, laat ik m’n lichaam al neervleien tegen een stevige boomrug. Een buizerd, een zanglijster, roodborstje, een bonte specht en tientallen andere vogels laten hun lentekriebels klinken. En ik voel dat een enorme maatschappelijke moeheid m’n benen uit wil vloeien. De gedachte aan 30 dagen de tijd nemen om dit vertragingsproces te laten voltooien stemt me gerust. Dit is zo nodig. De behoefte om helemaal tot stilstand te komen, alleen m’n eigen energie nog te hoeven ervaren. 

De gedachte popt op dat dat misschien wel egocentrisch is. Want al die mensen die nu hard werken voor hun geld, hun baas, om een auto te rijden, de kinderen te eten kunnen geven, droog en warm te kunnen leven, een opleiding te kunnen volgen.

En dan zit ik hier in de zon te ‘niksen’. Ja, dit is 1 van de kerngedachten waarom ik deze 30 dagen wandeltocht doe. Want hoe kan het dat deze gedachte opkomt, terwijl ik mijn zaakjes prima voor elkaar heb, niemand tot last ben en me ook niet onttrek aan het systeem.

De indruk wekken dat je ergens aan mee moet doen om erbij te horen en mee te tellen, of de indruk wekken dat je pas gelukkig kunt zijn als je dat ene product in je bezit hebt, of de indruk wekken dat je iets ervaren moet hebben om te kunnen zeggen dat je geleefd hebt, misschien is dat pas egocentrisch.  

Leef vol overgave, zonder alles te bevragen, zo krijgt burn-out geen kans.

Leef vol overgave, zonder alles te bevragen, zo krijgt burn-out geen kans.

Filosoof Welmoed Vlieger ( 42 ) kreeg vat op het leven dankzij oude denkers. Hun grootste les? Leef vol overgave, zonder alles te bevragen. Zo krijgt een burn-out geen kans. Artikel verschenen in de Volkskrant
Welmoed Vlieger (1976, Denekamp) werkt als buitenpromovendus aan een onderzoek over innerlijkheid en politiek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Ze studeerde godsdienstwetenschap en wijsbegeerte. Vlieger woont met haar gezin in Amsterdam en heeft twee kinderen van 8 en 15. Ze schrijft columns, geeft lezingen en organiseert filosofiedagen en -weekenden.
De vader van Welmoed Vlieger was dominee. Ze is de jongste van vier kinderen en verhuisde veel in haar jeugd. ‘Ik ben niet kerkelijk dogmatisch opgevoed. Wel hebben mijn ouders me bronnen aangereikt. Maar dat behoedt je dus niet voor een crisis, het komt erop aan je eigen bronnen te vinden. Daar gaat het om: ontdekken wat jou inspireert. Dat is een enorme zoektocht.’

Elk mens doorloopt een zoektocht om zichzelf te leren kennen en vat te krijgen op wat het leven is. Die route is voor ieder mens anders. Het probleem aan de basis van veel psychische klachten – ook bij een burn-out – is volgens filosoof Welmoed Vlieger (42) dat de meeste jonge mensen de zoektocht niet eens aangaan. Begrijpelijk, in een wereld waarin likes sneller te krijgen zijn dan een antwoord op je eigen waarom, maar weerbaar worden we er niet van.

Alles moet tegenwoordig van buiten komen, observeert Vlieger, gezeten aan de houten keukentafel in haar appartement. Er gaat iets kalmerends uit van haar aanwezigheid. Ze is rustig, ingetogen. Formuleert voorzichtig, zoekt nauwkeurig naar woorden, alsof ze gaandeweg het gesprek tot inzichten komt.

Ze gebruikt oude woorden, van dode denkers: innerlijkheid, ziel. Niet verwonderlijk, voor een filosoof die na een flinke dwaaltocht haar eigen inspirator vond in een middeleeuwse mysticus, Meester Eckhart.

Om de kern van ons mens-zijn te illustreren, gebruikt Vlieger een beeld van een andere wijsgeer, Plato. Die beschrijft de menselijke ziel als een paardenspan. Op de bok zit een wagenmenner, het verstand. Met slechts één taak: de boel een beetje in het gareel houden. Want de twee paarden in het span verkiezen elk een eigen route. Het ene paard wil het leuk hebben, zoekt vertier, verstrooiing en genot, het andere zoekt zingeving, liefde, vriendschap en een goede manier van leven. De tweestrijd tussen die neigingen, tussen afleiding en stilstaan, korte termijn en diepe waarden, dát is volgens Vlieger het menselijk bestaan.

De mens hoort te worstelen, zegt u?

‘We zijn niet zomaar een persoon met een aantal eigenschappen die samen onze identiteit vormen. Uniek voor de mens is dat we samengestelde wezens zijn. De worsteling tussen onze twee kanten, de tegenstrijdigheid in ons wezen is door de eeuwen heen beschreven in de filosofie. De mens maakt voortdurend schijnbewegingen om maar niet de confrontatie met zichzelf aan te gaan.’

U schrijft over jonge mensen die de weg kwijt zijn. Wat bedoelt u daarmee?

‘Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie heeft eenderde van alle jongeren een mentale aandoening en worden het er alleen maar meer. Daarbij gaat het om depressie, verslaving, burn-out. Vooral het aandeel van jonge vrouwen is groot. Ik probeer te begrijpen wat er gebeurt en heb het vermoeden dat er vaak een zingevingsprobleem achter schuilgaat. De huidige tijd is best moeilijk om in op te groeien. Met de tirannie van de perfectie en de druk om leuk, mooi en geslaagd te zijn. Terwijl het juist de kunst is om te gaan met tegenstrijdigheden – aan alles zit een rafelrandje.

‘Ik ben voorzichtig, ik zeg niet dat het dé oorzaak is, maar in gesprekken met jongeren merk ik vaak dat ze een existentiële leegte ervaren.’

Wat is dat?

‘Gevoelens van doelloosheid. Zinloosheid. En daaronder: angst. De Deense denker Kierkegaard weet dat als geen ander te verwoorden. Hij laat zien hoe mensen kunnen vastlopen in angst en vertwijfeling. Vooral in tijden van tegenslag, verlies en rouw. Op dat soort momenten doemen existentiële vragen op: waarom overkomt mij dit, hoe moet ik hiermee omgaan? De verbanden van kerk en gemeenschap zijn weg en we zijn teruggeworpen op onszelf, als het gaat om dit soort levensvragen.

‘Ik merk dat jongeren meer en meer naar buiten gericht zijn. Dat maakt dat je je minder verhoudt tot je binnenwereld, waarin tegenstrijdigheden woekeren. Innerlijkheid is voor mij een belangrijk onderwerp. Dat woord dreigt helemaal te verdwijnen in deze tijd, net als het woord ziel.’

Wat bedoelt u met innerlijkheid?

‘Het landschap in jezelf met angsten, leegte en kanten die je niet kent: hoe verhoud je je tot jezelf en tot de wereld? Innerlijkheid raakt aan termen als ziel en geweten. Een beetje ouderwetse woorden, met een lange geschiedenis. Grote denkers hebben ze gebruikt.

‘Ik denk dat het belangrijk is dat je probeert die binnenwereld te leren kennen. Dat je niet voortdurend op zoek blijft naar afleiding, maar dat je alleen kunt zijn. Om in tijden van tegenslag – die iedereen meemaakt – op jezelf te kunnen terugvallen. Als je je eigenwaarde afhankelijk maakt van de buitenwereld, ben je afhankelijk van het toeval en het grillige lot – en ja, dan kan alles makkelijk instorten. Als je eigenwaarde van binnenuit komt, heb je een dragende grond.’

Kunnen jonge mensen niet alleen zijn?

‘Alleen zijn is beangstigend. Omdat het diepe vragen oproept. Toen ik lesgaf aan studenten, hoorde ik telkens: ik weet niet wat ik met mezelf moet. Terwijl juist dát zo belangrijk is.

‘Die angst, daar moeten we niet vanaf. Daar moeten we doorheen, je moet de dialoog aangaan met jezelf, om vertrouwen te krijgen in het bestaan. Want dat bestaan is een volstrekt oncontroleerbaar iets. Dat proberen we voortdurend onder controle te krijgen. Althans, we denken dat te kunnen, maar dat kán niet. Een uitspraak als ‘het gaat goed met mij’ staat daar model voor. Alsof je kunt zeggen: het is klaar, ik heb het voor elkaar.

‘Dat is een verkrampte manier om met het leven om te gaan. Omdat heel veel onzeker is. We moeten ons verhouden tot die onzekerheid.’

We werken steeds meer met ons hoofd. Denkt u dat we daarom massaal aan mentale uitputting lijden?

‘Nee. Het zijn vragen als: kan ik dit wel, wil ik dit wel of doe ik dit omdat anderen het van me verwachten? Dáár worden mensen moe van. Dat vraagt om zelfonderzoek: eerlijk jezelf onder ogen zien. Dat los je niet op met een weekendje Parijs.

‘En, dat vind ik belangrijk om te benadrukken, het is geen navelstaarderij. Want door jezelf te leren kennen – ook je donkere kanten – kan er ook ruimte voor anderen ontstaan. Je kunt je makkelijker verhouden tot anderen, hen accepteren zoals ze zijn.

‘Ik zie vaak jonge vrouwen op sociale media die letterlijk om likes en hartjes vragen, als ze in de put zitten. Dat vind ik echt zorgelijk. Er is geen weerbaarheid. Het maakt je enorm vatbaar voor teleurstelling en afwijzing van buitenaf. Die moet je dan weer compenseren met bevestiging van buitenaf.’

We hebben het tamelijk goed voor elkaar, zijn welvarend en volgens enquêtes ook gelukkig.

‘Als je zeven dagen per week op het land ploetert, is het leven vanzelfsprekend zwaar. Mensen werden vroeger meer beproefd, er was meer dood, verlies, honger. Dat doet iets met je als mens, het bepaalt je.

‘Ik denk dat welvaart ons ook minder weerbaar heeft gemaakt. Een afwijzing komt snel aan als een mokerslag. Van vrienden, op ons werk. We maken ons gauw zorgen, denken: het gaat niet goed met me, wat nu? We zijn niet gewend aan tegenslag. We willen controle, preventie. Alles bedwingen. Wat niet perfect is, moet opgelost. Voelen we leegte of angst? Daar moeten we vanaf.

‘Het rafelige, het lelijke, het angstige: we moffelen het weg. Ook de dood. Het moet allemaal uit het zicht en dat maakt ons juist kwetsbaar. Want dood, ziekte en verlies van dierbaren blijven bestaan. Omgaan met zulke ervaringen wordt lastig als je een wereld creëert waarin die zaken afwezig lijken te zijn.’

Mensen krijgen een burn-out omdat ze niet weerbaar genoeg zijn?

‘Ik vermoed dat angst ten grondslag ligt aan een burn-out. Angst kan veel weerstand oproepen, we willen er niet aan. Terwijl angst wezenlijk is, hij hoort bij de mens, we moeten daar iets mee. Daarvoor is reflectie nodig. Doe je daar niet aan, dan duikt hij op de meest onmogelijke momenten op. En dat beangstigt nog meer, benadrukt nog meer het oncontroleerbare.

‘Ik denk dat we onderscheid moeten maken tussen psychische en geestelijke klachten. Die laatste zijn heel menselijke, existentiële problemen waar iedereen tegenaan loopt. Het is de vraag of je daarvoor bij een psycholoog aan het juiste adres bent.

‘Filosofen spreken van een dialoog: je kunt pas tot zelfinzicht komen in contact met iets anders. Vroeger kon dat God zijn. We verlangen naar een kritische vriend, een sparringpartner. Die behoefte vervullen we nu vaak door naar een psycholoog te gaan.’

Wat is het alternatief, denkt u?

‘Jonge mensen hebben ruimte en aanmoediging nodig om op zoek te gaan naar bronnen die hen innerlijk voeden. Wat raakt je, wat inspireert je, waaraan trek je je op? Bronnen komen in allerlei gedaanten: in muziek, poëzie, literatuur, kunst, religie, het krijgen van kinderen. Als het de innerlijke dialoog maar op gang brengt. Alleen op die manier kun je je eigen angsten en onzekerheden aanschouwen.

‘Bovendien, en dat is minstens zo belangrijk: die bronnen maken dat je jezelf kunt zien als deel van iets groters. Die laten je zien dat je niet alleen staat in de wereld. Mooie teksten of kunst kunnen zo veel zin geven. Je laten beseffen dat je een bepaalde rol hebt, een verantwoordelijkheid.’

Hoe ging dat bij u, het vinden van een bron?

‘Ik heb een moeizame middelbareschooltijd gehad. De stof raakte me niet, ik sleepte me door de dagen. Ik had moeite met het schoolsysteem, verzette me ertegen, was een opstandige puber. Ik voelde me verdwaald, angstig, wist niet wat ik moest.

‘Via een lange omweg heb ik uiteindelijk mijn havodiploma gehaald en mocht ik toelatingsexamen doen voor de universiteit. Daar ging een wereld voor me open. Of nou ja, aanvankelijk voelde ik me verloren in een zee van denkers.

‘Het zijn bepaalde docenten geweest die me richting gaven, die zeiden: lees dit eens, of dat. Zo kwam ik Meester Eckhart tegen, een filosoof uit de 13de, 14de eeuw. Wat hij beschreef, herkende ik. Ik voelde: ik sta niet alleen, maar in een traditie van denkers die op eenzelfde manier naar de wereld kijken.’

En welke manier van kijken is dat?

‘Hij spreekt over leven vanuit je eigen bestaansgrond, zonder waarom. Ik leef omdat ik leef, omdat ik niet anders kan, vol overgave. Ik geef lezingen over dat thema en die uitspraak, ‘leven zonder waarom’, trekt veel mensen aan. Juist omdat zij continu vol vragen zijn: waarom dit, waarom dat? Mensen verlangen naar een leven waarin ze niet continu het nut van alles bevragen. Rust vinden in wat er is. Het zijnde laten zijn, zegt Heidegger. Niet voortdurend de controle willen hebben. Want precies dát is vermoeiend en geeft onrust, stress en druk.’

Wat is die ‘grond’ voor u?

‘Het zijn vooral religieuze auteurs die mij raken, zoals Kierkegaard en Dostojevski. Me opgenomen weten in iets groters, de ervaring dat het leven in de grond zin heeft. Er zijn mensen vóór ons geweest en er komen mensen na ons voor wie wij verantwoordelijkheid dragen. Dat besef maakt je los van narcisme, van bezig zijn met je eigen leventje. Het geeft zin en betekenis aan je bestaan.’

Bent u daarmee beschermd tegen een burn-out?

‘Dat weet je nooit. Ik werk hard, heel hard. Ik heb twee kinderen. Mijn promotie staat centraal, maar ik doe ook columns, lezingen, weekenden. Ik ben gelukkig met wat ik doe. Maar je hoort vaak: plotseling kon ik helemaal niets meer. Het komt bij iedereen onverwachts.

‘Ik ervaar weinig stress, gek genoeg. Ik ben veel alleen. Dat vind ik fijn, heb ik ontdekt. Maar dan nog. Er is geen enkele garantie in het leven.’

Lees meer over burn-outs op volkskrant.nl/burnout

Hoe een boek je diepgaand kan ZINspireren

Hoe een boek je diepgaand kan ZINspireren

Voordat ik zwanger was van mijn eerste zoon (bijna 15 jaar terug) lag ik eens een zondagmiddag uit te puffen in een warm dampend bad; zoals altijd hongerig naar kennis had ik een boek meegenomen, Shambhala, the sacred path of the Warrior, van Chogyam Trungpa. Op de voorkant een grote gele zon en vier mythische dieren. Het was een prachtig, maar stevig-te-verteren boek. Het greep me, omdat de schrijver na jarenlang boeddhistische leer verspreiden, nu een werelds boek schreef over hoe een strijder te zijn in deze tijd, een strijder die zijn hartewens realiseert, een verlichte maatschappij.

Ik ben zo’n strijder voor een verlichte maatschappij en wilde de wijsheid uit het boek dan ook echt begrijpen. Het heeft 10 jaar geduurd om het hoofdstuk voor hoofdstuk te lezen. Het belangrijkste inzicht voor mij was: iedere strijder heeft een gewond, kwetsbaar hart waarin hij “het licht” kan laten opkomen. De zon laten ondergaan is makkelijk, maar de zon, het licht in je leven op laten komen, dat vergt doorzettingsvermogen en durf.

Toen ik zocht naar een nieuwe plek om mijn meditatielessen te kunnen geven, kwam ik terecht in wat nu ZINTRE heet. Het was ruim, licht, open en ik had er meteen een vrij gevoel. Ik zei ja tegen een stevige huur, een heleboel studenten die ook gebruik maken van het pand en buren die ik nog nooit gezien had. Het was een gedurfde en zeer liefdevolle stap.

Toen ik samen met een vriendin ruim 2 jaar geleden de zon schilderde in ZINTRE, was het boek inmiddels weggezakt. Maar de betekenis van de Grote Opkomende Zon blijkbaar niet, want daar verscheen zij krachtig op de muur. Grappig was dat een paar maanden later de schrijver van het boek aan me ‘verscheen’ in een meditatie in ZINTRE en ik de verbinding met het strijden voor een verlichte maatschappij kon herstellen.

Met de ZINTRE-ZON hoop ik jouw eigen innerlijke zon aan te wakkeren. Als het aan mij ligt, is ZINTRE een plek waar je terecht kunt om je eigen hart en daarmee de wereld om je heen lichter te maken. Ik ben inmiddels geland en geworteld op deze plek, van hieruit lever ik mijn bijdrage aan een verlichte samenleving. Ik ben dan ook heel blij dat de tijd rijp is dat meer trainers hun licht ZINTRE inbrengen en we samen gaan stralen!

zaterdag 2 februari 10:30-16.30 houden wij gezamenlijk een eerste OPEN DAG!

We  hebben een prachtig, krachtig en uiteraard verlichtend programma in elkaar gedraaid. Helemaal gratis en voor niets, net zoals de ZON!!! Alleen voor de lunch vragen we je een bijdrage.

10:30 feestelijke opening. ontvangst met taart
11.00 ZIN in luisteren naar je intuïtie (Saskia Zwijnenburg)
12.00 ZIN in omzetten van je wonden in wijsheid (Laura Jonker)

13.00 ZIN in ‘n lekkere lunch met live muziek en jam

14.00 ZIN in de magie van je lichaam (Dinne Brinkman)
15.00 ZIN in je gevoel leren kennen, leuk als je een maatje meeneemt (Laura Jonker en Joost Roks)
16.00 ZIN in dansen! met een superfijne, opwekkende playlist! tot zolang we er zin in hebben

ZIN OM JE DAN TE ONTMOETEN! Nodig vooral ook vrienden / kennissen uit. Als het aan ons ligt, ga je naar huis met de ZON in je hart.
Laura

X